Werkt toerismespreiding? Een analyse van Lonely Planetkaarten

Bespreking

Amsterdam probeert al meer dan vijftien jaar om toeristen naar de stadsdelen buiten het centrum te lokken. De gemeente maakt zich zorgen dat de binnenstad niet veel meer toerisme aankan.

Om te verkennen wat het effect is van dit beleid, heb ik gekeken hoe de kaarten in de reisgidsen van Lonely Planet zich hebben ontwikkeld. De afgelopen jaren zijn er bezienswaardigheden buiten het centrum aan de kaarten toegevoegd - vooral in gebieden die al met gentrificatie te maken hadden gekregen. Maar de grote meerderheid van de bezienswaardigheden zit nog steeds in stadsdeel Centrum en bepaalde delen van Zuid.

Het effect van toerismespreiding lijkt al met al bescheiden, en lang niet groot genoeg om de groei van het toerisme te compenseren. Om de impact van het toerisme terug te dringen is wellicht een andere aanpak nodig - bijvoorbeeld door iets te doen aan de hotelcapaciteit of aan lowcostvluchten naar Schiphol.

Spreidingsbeleid

In het nieuwe coalitieakkoord staat dat de positieve kanten van het toerisme steeds meer overschaduwd worden door de negatieve effecten, waardoor de leefbaarheid van sommige buurten ernstig onder druk staat. De gemeente wil daar wat aan doen, onder meer door toerisme over de stad (en de regio) te spreiden. Amsterdam moet een stad zijn om in te leven, wonen en ondernemen, en pas in de tweede plaats een toeristische bestemming.

Het idee om het toerisme te spreiden is niet nieuw. In 2016 lanceerde Amsterdam een wijkencampagne om gebieden buiten het centrum onder de aandacht te brengen. Er ontstond enige ophef toen politici ontdenkten dat Nieuw-West ontbrak op een kaart. Amsterdam Marketing zei in een reactie dat het stadsdeel ‘naar onze professionele mening op dit moment minder geschikt [is] om aan te bieden als een eerste alternatief voor het stadscentrum’. Ze voerden aan dat buurten eerst omarmd moeten worden door Amsterdammers, wat suggereert dat gentrificatie het pad effent voor toerismepromotie.

In 2009 kwam Amsterdam met het plan om Oost te promoten als ‘het nieuwe (2e) museumkwartier’, de Noordelijke IJoevers als ‘Creative City’, het Westerpark als een soort ‘Kulturbrauerei’, het Oostelijk Havengebied als ‘Docklands’, de Pijp als ‘Quartier Latin’ en Oud-West als ‘Notting Hill’.

En in 2001 waarschuwde de VVV al dat de binnenstad bijna de grens had bereikt van het aantal toeristen dat ze aankon. «Maar waar moeten ze dan naartoe? Naar IJburg voor de architectuur, funshoppen op de ArenAboulevard in Zuidoost en de voormalige GVB-remise in Oud-West gaan bezoeken», zo hadden ze bedacht.

Een terugkerend element is dat de campagnes zich richten op bezoekers die hier al eerder zijn geweest. Zoals de VVV het in 2001 formuleerde: «We willen […] geen buitenlanders die hier voor de eerste keer zijn, gelijk naar de buitenwijken sturen».

Kaarten in de Lonely Planet

Om een beeld te krijgen van het effect van dit beleid, heb ik gekeken naar veranderingen in de bezienswaardigheden die worden vermeld op de kaartjes achterin Lonely Planetgidsen (voor slagen om de arm zie Methode, hieronder). Als toeristen nieuwe delen van de stad ontdekken, dan mag je verwachten dat die plekken ook worden opgenomen in de reisgidsen. Bovendien ging het toerismebureau vanaf 2009 de uitgevers van reisgidsen informeren over bezienswaardigheden buiten het centrum. «Opname in gidsen is niet gegarandeerd, maar gebeurt wel [in] veel gevallen.»

2006 is een beetje een buitenbeentje. In dat jaar werden verschillende bezienswaardigheden buiten het centrum toegevoegd, om in de volgende editie weer te verdwijnen (zie hieronder, Geschrapt). Als je inzoomt op specifieke buurten zie je dat er nog meer is veranderd. Bijvoorbeeld:

  • In 2012 is een aantal bezienswaardigheden in Oost opgenomen: het Oosterpark (inclusief het Slavernijmonument, de Schreeuw en de Spreeksteen), de Dappermarkt en Frankendael;
  • In 2018 is een aantal bezienswaardigheden in Noord opgenomen, waaronder het NDSM-terrein, het EYE Filmmuseum en de Nieuwendammerdijk.

De tabel hieronder toont het percentage bezienswaardigheden per stadsdeel (of wijk):

Wijk 2000 2006 2012 2016 2018
Stadsdeel Centrum 84 74 78 78 75
Stadsdeel Zuid 10 12 11 11 10
Stadsdeel Oost 1 3 6 5 6
Stadsdeel Noord 2 1 0 0 5
Stadsdeel West 3 5 4 5 4
Stadsdeel Nieuw-West 0 1 0 0 0
Stadsdeel Zuidoost 0 1 0 0 0
Wijk 00 Amstelveen 0 3 0 0 0

Het aandeel bezienswaardigheden in Oost en Noord is toegenomen, maar de grote meerderheid zit nog altijd in Centrum en delen van Zuid (onder andere het Museumplein).

Geschrapt

In elke editie worden nieuwe bezienswaardigheden toegevoegd en andere geschrapt. Bij die laatste groep zitten bezienswaardigheden die niet meer bestaan, zoals het Netherlands Media Art Centre, het Vakbondsmuseum en tijdelijke lokaties van het Stedelijk. Er zitten ook bezienswaardigheden bij die de auteurs blijkbaar niet meer relevant vonden.

De auteurs hebben hun eigen voorkeuren en interesses. Zo lijkt Andrew Bender, de auteur van de editie van 2006, een beetje een gezondheidsfreak te zijn. Hij voegde diverse sportvoorzieningen en fitnessclubs toe, wat weer verklaart waarom zijn editie meer bezienswaardigheden buiten het centrum bevat. De meeste werden in de volgende editie weer geschrapt. In 2012 voegden Karla Zimmerman en Sarah Chandler diverse hofjes toe. Die werden in 2016 weer voor een groot deel geschrapt.

Methode

Ik heb de volgende edities van de Amsterdamgids van Lonely Planet gebruikt:

2000: Rob van Driesum, Nikki Hall
2006: Andrew Bender
2012: Karla Zimmerman, Sarah Chandler
2016: Catherine Le Nevez, Karla Zimmerman
2018: Catherine Le Nevez, Abigail Blasi

Ik heb de bezienswaardigheden (sights, sights and activities of things to see) geanalyseerd die worden vermeld in de legenda van de kaartjes acherin de gidsen. Op de kaarten staan ook categorieën als eating, drinking, sleeping en entertainment. Ik heb me beperkt tot bezienswaardigheden, vanuit de veronderstelling dat je op deze manier minder problemen tegen zal komen bij het geocoden (het opzoeken van de coördinaten). Overigens wijkt de indeling van met name de editie uit 2000 iets af van de andere edities.

Het is mogelijk dat er bij het geocoden of bij het overnemen van gegevens uit de gidsen ergens iets is misgegaan. Als je een fout tegenkomt, dan hoor ik het graag.

Natuurlijk vormen de kaarten van Lonely Planet geen perfect instrument om de toerismespreiding te meten. Aan de andere kant, als er grote verschuivingen waren geweest in de gebieden waar toeristen naartoe gaan, dan lijkt het onwaarschijnlijk dat dit niet zichtbaar zou zijn op de kaarten van Lonely Planet.

Tags: 

Circulaire Metro- en Tramkaart van Amsterdam

Dit weekend wordt de Noord-Zuidlijn geopend. Om dat te vieren, krijgen kopers van Straatkrant Z! een gratis exemplaar van de mooie circulaire Metro- en Tramkaart van Eric Hammink.

Zeven jaar geleden ontwierp Hammink de eerste versie van zijn kaart, gebaseerd op het patroon van de grachten van Amsterdam. Er was sprake van dat het GVB de kaart zou overnemen, maar daar is het blijkbaar niet van gekomen. Een gemiste kans.

De kaart wordt ook gebruikt in Hammink’s routeplanner voor de iPhone.

Tags: 

Gentrificatie in kaart gebracht

De kaartmakers van de gemeente Amsterdam hebben een kaart gemaakt waarop je de Buurtstraatquote (BSQ) ziet. De BSQ speelt een centrale rol bij de hervorming van de erfpacht, waarmee het sociale grondbeleid van de gemeente wordt uitgehold - maar daar gaat dit artikel niet over. Voor nu ben ik geïnteresseerd in de BSQ als graadmeter voor grondwaarden.

Zoals de gemeente samenvat, zijn «de hoge BSQ’s te vinden in de gewilde locaties in de stad en de lage BSQ’s in de minder gewilde locaties in de stad». De grachtengordel en de omgeving van het Vondelpark hebben hoge BSQ’s; lage BSQ’s zijn te vinden zijn in Zuidoost, Nieuw-West en Noord. Dat viel te verwachten.

Interessanter is de verandering van de BSQ. De gemeente heeft cijfers beschikbaar gesteld over duizenden straten of straatsegmenten, voor de jaren 2014 en 2016. Dat is natuurlijk een korte periode en je kan er niet zomaar van uitgaan dat deze periode representatief is voor lange-termijntrends. Even goed geven de cijfers een interessant beeld.

De grafiek hieronder toont de verdeling van BSQ’s voor meergezinswoningen in 2014 en 2016.

De piek is naar rechts verschoven en de mediaan is gestegen van 28 naar 38. Om politieke redenen is bepaald dat de BSQ nooit lager dan 5 of hoger dan 49 kan zijn, wat verklaart waarom zoveel straten een BSQ van 5 of 49 hebben. Dit impliceert dat de toename van de BSQ waarschijnlijk geen volledig beeld geeft van de stijging van de grondprijzen.

Op de kaart hieronder zie je de ontwikkeling van de BSQ voor meergezinswoningen in verschillende delen van de stad. Straten waar grote veranderingen misschien geflatteerd zijn door de onder- en bovengrens van de BSQ heb ik weggelaten. Dat geldt voor straten die al in de buurt van de maximale BSQ zaten, met name de Grachtengordel en delen van Zuid. Het geldt ook voor straten, vooral in Zuidoost, waar de BSQ in de buurt van de ondergrens van 5 is gebleven.

Rood betekent dat de BSQ met tenminste de helft is toegenomen; oranje een stijging met minder dan de helft en groen dat de BSQ is gedaald. Er zijn enkele rode gebieden buiten de ring: met name IJburg, bepaalde delen van Nieuw-West en Buitenveldert. Buitenveldert grenst aan de Zuidas en heeft te maken met instroom van expats en studenten.

Binnen de ring stijgt de BSQ in gebieden die vaak worden geassocieerd met gentrificatie, zoals de Kolenkit in West, de Vogelbuurt in Noord en de Indische Buurt in Oost. Verassender is Betondorp, een buurt met lage inkomens waar veel ouderen wonen. In 2015 werd deze buurt nog omschreven als «een van de weinige wijken in Amsterdam waar de oprukkende gentrificatie nog niet heeft toegeslagen». Als de BSQ een graadmeter is, dan zou dat wel eens kunnen veranderen.

Voor methode en technische details, zie de Engelstalige versie van dit artikel.

Tags: 

Nekt Strava de Fietstelweek?

Strava is een populaire app om fietsritten mee op te nemen. Het bedrijf probeert al een paar jaar om zijn gegevens aan lokale overheden te verkopen zodat die ze kunnen gebruiken bij hun fietsbeleid. NDW, een platform van overheden waaronder Amsterdam, heeft zes maanden aan Stravagegevens gekocht om eens uit te proberen wat je hiermee kan.

De overstap naar Strava betekent mogelijk het einde van de Fietstelweek, een jaarlijkse actie om fietsgegevens te verzamelen waar duizenden vrijwilligers aan meedoen. Ik heb de gegevens van de Fietstelweek ooit gebruikt om te analyseren hoe lang je moet wachten bij stoplichten. De Fietstelweek kreeg geld van dezelfde overheden die nu experimenteren met gegevens van Strava.

Eén van de redenen waarom overheden naar alternatieven kijken is dat de Fietstelweek minder deelnemers heeft dan ze graag zouden willen. Daar zit iets in. Neem bijvoorbeeld de onderstaande kaart, met fietsroutes van en naar Amsterdam Centraal Station.

Op zich een interessante kaart. Niet heel verassend is de intensiteit het hoogst in de buurt van fietsenstallingen. De Geldersekade (met de soms chaotische kruising met de Prins Hendrikkade) en de Piet Heinkade lijken belangrijke toegangswegen te zijn. Het lijkt erop dat mensen die met de fiets naar CS gaan wat vaker in het oosten van de stad wonen.

Maar let op: het gaat om kleine aantallen. Zelfs de drukste segmenten vertegenwoordigen niet meer dan 40 ritten. Eén loyale deelnemer aan de Fietstelweek zou letterlijk de kaart kunnen veranderen door de hele week haar fietsrit naar werk op te slaan.

Strava beschikt over veel grotere datasets, maar deze gegevens roepen weer andere vragen op. Strava noemt zich ‘het sociale netwerk voor sporters’ en wil weten of je een racefiets, een mountainbike, een tijdritfiets of een cyclocrossfiets gebruikt (‘anders’ is geen optie). Is Strava wel representatief voor mensen die bijvoorbeeld op hun stadsfiets naar werk gaan?

Het antwoord van Strava op dit soort vragen is dat ze proberen om competitie minder centraal te stellen en hun app socialer te maken, met Facebook-achtige tools. Op die manier hopen ze meer gegevens te verzamelen over ‘normale’ fietsritten Ze zeggen ook dat mensen met de app vaak dezelfde routes rijden als andere fietsers, vooral in de steden.

Maar klopt dat wel? De Strava heatmap (kies rood en rides) voor Amsterdam zou je misschien kunnen interpreteren als een combinatie van recreatieve routes (Vondelpark, Amstel) en fietsers die zo snel mogelijk de stad in of uit proberen te rijden (plus flink wat mensen die hun rondjes op de Jaap Edenbaan hebben opgeslagen als fietstochten).

Misschien valt er een manier te bedenken om de recreatieve en sportieve ritten eruit te filteren en hou je dan nog genoeg ‘normale’ fietsritten over. Aan de andere kant, bijna driekwart van de fietsritten in Nederland is korter dan 3,7 km, en ik vermoed dat zulke korte ritjes zelden op Strava worden gezet.

Er is ook nog een sociaal-economisch aspect. Er is aangevoerd dat Strava vooral wordt gebruikt door mensen die in de rijkere buurten wonen, terwijl andere buurten misschien wel meer behoefte hebben aan betere fietsinfrastructuur.

Natuurlijk is het fietsgebruik sowieso ongelijk verdeeld, en dat zie je ook terug in de gegevens van de Fietstelweek. De kaart hieronder toont de start- en eindpunten van fietsritten in Amsterdam.

De dichtheid is het grootst in het gebied binnen de ring ten zuiden van het IJ. Het aantal fietstochten per 1.000 inwoners correleert ook met woningwaarde: veel fietstochten beginnen of eindigen in rijkere buurten. Zoals gezegd, dit weerspiegelt waarschijnlijk het werkelijke fietsgebruik en wijst dus niet op een probleem met de gegevens.

Om samen te vatten: de Fietstelweek heeft kleinere aantallen deelnemers dan je zou willen, terwijl de gegevens van Strava vragen oproepen over de representativiteit. Strava zou natuurlijk kunnen helpen om die vragen te beantwoorden door een deel van de Amsterdamse gegevens beschikbaar te stellen als open data.

Dit Python-script laat zien hoe de analyse is uitgevoerd.

De digitale stad

Amsterdam heeft een nieuw coalitieakkoord. De passage over democratisering en de Digitale Stad is goed ontvangen - een Amsterdams-Britse onderzoeker was zo enthousiast dat ze een Engelse vertaling maakte.

De nieuwe coalitie wil een democratische invulling geven aan de smart city. Burgers moeten meer controle krijgen over hun data, er worden niet meer gegevens verzameld dan nodig en er komt steun voor coöperaties die een alternatief willen bieden voor platformmonopolisten. Een informatiecommissaris gaat erop toezien dat de uitgangspunten ‘open tenzij’ en ‘privacy by design’ worden waargemaakt.

Het akkoord noemt ook een aantal onderwerpen waar de gemeente al mee bezig is (of was):

  • Raadsinformatie wordt toegankelijk. In 2015 heeft de gemeenteraad daar al om gevraagd. Sindsdien is een deel van de raadsinformatie beschikbaar via Open Raadsinformatie, maar er is nog geen goede oplossing om alle raadsinformatie in een goed doorzoekbare en analyseerbare vorm beschikbaar te stellen.
  • Wob-verzoeken en documenten worden toegankelijk. Hier is ook al een begin mee gemaakt. Tot nog toe zijn er drie Wob-besluiten gepubliceerd.
  • Ook interessant is dat Amsterdam zo veel mogelijk met open-sourcesoftware gaat werken. Ruim tien jaar geleden was Amsterdam dat al van plan, en dat was serieus genoeg om Microsoft op de kast te jagen. In 2010 leden de plannen schipbreuk op ambtelijke weerstand.

Al met al een mooie mix van nieuwe ambities en uitvoering van ‘oude’ plannen.

Pages