Vakbond

1 mei, Dag van de Arbeid

1 mei wordt overal in Europa gevierd als Dag van de Arbeid. Nou ja, overal - behalve in de neoliberale uithoeken Groot-Brittannië, Ierland en Nederland.

In Nederland is de Dag van de Arbeid altijd verwaarloosd, maar niet door iedereen. In 2005 sloot Amsterdam zich aan bij Euromayday, een initiatief van flexwerkers in steden als Barcelona, Milaan en Londen. In 2010 vierden schoonmakers op 1 mei samen met bondgenoten hun overwinning na 9 weken staken, waarmee de start werd gegeven voor jaarlijkse 1 mei-vieringen in Amsterdam. In 2015 organiseerde de FNV een landelijke 1 mei-viering in Amsterdam en dat gebeurt dit jaar opnieuw, met een mars van de Dokwerker naar het Oosterpark.

Ondertussen is de gemeente Amsterdam één van de weinige werkgevers waar 1 mei een vrije dag is. Hoog tijd om van 1 mei een nationale feestdag te maken.

Assignment 1-2

A short recap of the previous assignment: I’m using the Outlook on Life Surveys dataset and I’m interested in the relation between union membership and political participation (details here).

We’re required to write a programme that outputs frequency tables for a number of variables and discuss the output. The output’s supposed to be ‘interpretable (i.e. organized and labeled)’. I’m not entirely what is meant by that, but I’ve decided to recode the variables (e.g. 1 = ‘Yes’) and print the variable names and questions above the output. (If you’re logged in as a student, see the forum.)

The programme itself is posted here. Below I’ll discuss some of the output. For the sake of convenience, I’ll only show percentages (the raw counts can be obtained by running the programme). First, the current employment status of respondents.

PPWORK: Current Employment Status
Percentage
Not working - retired                           21.011334
Not working - on temporary layoff from a job     1.264167
Not working - looking for work                  10.854403
Not working - disabled                           8.456844
Not working - other                              6.451613
Working - self-employed                          6.190061
Working - as a paid employee                    45.771578
dtype: float64

One of the variables I’m interested in, is union membership. My understanding of the American situation is that union membership is often dependent on whether your workplace is organised (by contrast, in the Netherlands it’s not uncommon for unemployed or retired people to be union members). For that reason, it makes sense to look specifically at respondents who are working as paid employees. (The fact that union membership is measured at the household level complicates matters but that doesn’t change my preference to focus on paid employees.)

1,050 respondents (46%) are paid employees. This would seem to be a sufficiently large group for the purposes of the analyses I plan to do. In the programme, I created at subset of respondents who indicated they are working as paid employees. The output below is based on this subset.

Next, the numbers for the variable on union membership (as indicated, at the household level).

W1_P8: Does anyone in your household currently belong to a union?
Percentage
No         78.380952
Refused     1.142857
Yes        20.476190
dtype: float64

Within the subset of respondents with paid employment, little over 20% indicate that at least one person in their household is a union member. This compares to a union density of 11.1% among wage and salary workers in the US according to the Bureau of Labour Statistics.

Some of that difference can be explained by the fact that the 20% figure will include some respondents who aren’t union members themselves but who have someone in their household who is. On the other hand, the BLS is a bit more persistent in assessing union membership, and would likely classify some people as union members who wouldn’t be classified as such in the OOL surveys.[1] All in all, I’m inclined to say the 20% figure in the OOL surveys is higher than expected and that there is a possiblity that the survey sample is in some way biased towards union members.

And finally the political participation measures.

W1_L4_A: [Contacted a public official or agency ] Please indicate if you have done any of the following activities in the last 2 years.
Percentage
No         74.095238
Refused     2.190476
Yes        23.714286
dtype: float64
 
W1_L4_B: [Attended a protest meeting or demonstration ] Please indicate if you have done any of the following activites in the last 2 years.
Percentage
No         90.571429
Refused     2.190476
Yes         7.238095
dtype: float64
 
W1_L4_C: [Taken part in a neighborhood march ] Please indicate if you have done any of the following activites in the last 2 years.
Percentage
No         93.047619
Refused     2.095238
Yes         4.857143
dtype: float64
 
W1_L4_D: [Signed a petition in support of something or against something ] Please indicate if you have done any of the following activites in the last 2 years.
Percentage
No         58.190476
Refused     2.380952
Yes        39.428571
dtype: float64

Respondents are more likely to have signed a petition or contacted an offical than to have hit the streets. This is as expected.

Finally a word on missing values. For all variables considered here, the percentage ‘refused’ is below 2.5%. This would seem sufficiently low not to expect any problems arising from this.

PS One of the students who reviewed my first assigment suggested I include ‘canvassing’ as a measure of political participation, which seems to make sense. Unfortunately the dataset doesn’t seem to include this aspect, but there are variables on other types of political participation that I may add in the future.


  1. «Employed wage and salary workers are classified as union members if they answer “yes” to the following question: On this job, are you a member of a labor union or of an employee association similar to a union? If the response is “no” to that question, then the interviewer asks a second question: On this job, are you covered by a union or employee association contract? If the response is “yes,” then these persons, along with those who responded “yes” to being union members, are classified as represented by a union. If the response is “no” to both the first and second questions, then they are classified as nonunion.»  ↩

Vakbondsgeschiedenis in Amsterdam-Oost, en een praatpapier over staken

Afgelopen woensdag hadden we op m’n werk een mooie themadag over vakbondsgeschiedenis (dankzij). ’s Middags een fietstocht langs lokaties in Amsterdam-Oost, maar ’s ochtends eerst een programma in de Burcht. Eén van de gasten was voormalig voorzitter van de Industriebond Arie Groenevelt, door historicus Sjaak van der Velden ooit omschreven als de «grote schrik voor ondernemend en rechts Nederland».

De arbeidsverhoudingen werden tot in de jaren zestig bepaald door het naoorlogse poldermodel en de geleide loonpolitiek, waarbij de vakbeweging zich constructief opstelde. Groenevelt vond dat de vakbond weer moest leren om zonodig een vuist te maken. Ondertussen werd de bond door acties van werknemers ook steeds meer gedwongen om na te denken over een actievere rol.

Arie Groenevelt liet een notitie maken met als titel Staking. Een praatpapier over verleerde vaardigheden. De notitie, geschreven door bondseconoom Piet J. Vos, verscheen op 19 februari 1970. Groenevelt zelf heeft het stuk niet meer, vertelde hij aan een collega, maar ’s middags kregen we een rondleiding bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Daar hadden ze het - uiteraard - wel.

De twintig kantjes getypte tekst vormen niet alleen een scherpe analyse; ze geven ook een mooi beeld van een vakbond die bezig is zichzelf opnieuw uit te vinden. Tegen de achtergrond van een staking bij Werkspoor, maar ook van de meibeweging in 1968 in Frankrijk. De notitie gaat over juridische aspecten van de staking, maar ook over strategische overwegingen en over de rol van de bond. Bijvoorbeeld: reageer je alleen op onvrede onder werknemers, of heb je ook een mobiliserende rol?

De aanleiding voor de bond om een staking uit te roepen […] is gelegen in het feit dat zijn leden in een onderneming te hoop lopen, actie willen respectievelijk actie zijn begonnen, en steun van de bond verwachten. Misschien heeft de bond ze zelf in die stemming gebracht, misschien ook niet.

In een voetnoot wordt daarbij opgemerkt: «Een uiterst belangrijk vraagstuk waarover we de discussie eens zijn begonnen onder de aanvankelijke titel ‘verdieping van het bedrijvenwerk’ en die we beslist moeten voortzetten.»

De bond zal zich moeten verdiepen in wat de leden beweegt: niet alleen de concrete eisen, maar ook de «dieper liggende oorzaken, grieven waarvoor men soms ver in het verleden moet teruggrijpen en die op een heel ander terrein kunnen liggen dan de directe aanleiding tot de staking». Dit betekent dat de bond voor ‘een stukje vertaalwerk’ zal moeten zorgen.

Piet Vos vond dat de bond zich moest voorbereiden zodat hij permanent klaar staat om, zonodig, stakingen te kunnen leiden. Allerlei vragen moesten beantwoord worden:

Welke vormen van staking bieden de meeste kans op succes? Wat is dat eigenlijk, succes? Wat te doen met zogenaamde wilde stakingen? Wat moet onze houding tegenover ongeorganiseerden zijn en is die houding altijd dezelfde ongeacht de vorm van de staking en ongeacht de vraag hoe dit het succes van de staking beïnvloed[t]? Wat te doen op het punt van de stakingsuitkeringen? Hoe hoog moeten die zijn en moeten die onder alle omstandigheden even hoog zijn? Wat te doen met de publiciteit? Hoe open en hoe politiek zijn we daarin?

De auteur heeft niet de pretentie dat hij op alle vragen het definitieve antwoord heeft, maar over veel onderwerpen geeft hij wel een duidelijke mening. Het zou me niets verbazen als Verleerde vaardigheden opgenomen wordt in het inwerkprogramma voor nieuwe bondsbestuurders en organisers.

Update: medeauteur van de notitie was Stan Poppe, meldt Jet Linssen.

Assignment I - 1

In our first assignment, we’re required to pick a data source that we’ll use in our upcoming assignments and think about the kind of analyses we’d like to do with it.

I’m a researcher at a Dutch trade union and I’m also interested in the broader social role of unions. I know that there’s quite some evidence that union members are more likely to turn out to vote in elections than non-members, at least so in the US, but I’m interested whether union membership is also related to other forms of political participation.

The Outlook on Life Surveys contain variables on activities like contacting a public offical or attending a protest meeting. They also contain variables on membership in organisations and social movements such as Occupy Wall Street and the Tea Party. They do not contain information on whether the respondents themselves are union members, but they do contain a question whether anyone in the respondent’s household is currently a union member. While it may turn out to be problematic for my purposes that there’s no information on union membership of the respondents themselves, I still think this looks like an interesting dataset and I decided to pick this one for my assignments.

Next, we’re required to find relevant literature using sources like Google Scholar. I used the search terms union membership participation and one of the publications I found is a study by Kerrissey and Schofer (2013) on union membership and political participation in the US. Kerrissey and Schofer find that union membership is associated with various measures of political participation including voting, participating in protests, joining voluntary associations, and donating money to political campaigns (controlling for a number of variables). The effect is larger for lower-educated persons - likely because they have fewer alternative sources of political capital.

All kinds of interesting questions arise: for example, does membership in other types of organisations and social movements have a similar association with political participation as union membership? And what is the role of the institutional context (c.f. Cebolla-Boado and Ortiz 2014)? But for now I’ll focus on a more straightforward question.

I plan to - sort of - replicate Kerrissey and Schofer’s study using a different dataset (the Outlook on Life Surveys) and a slightly different independent variable (union membership at the household level instead of the individual level). My hypothesis is that political participation (as measured by a number of variables) will be higher for respondents with a union member in their household.

References

Cebolla-Boado, Hector and Luis Ortiz (2014). Extra-representational types of political participation and models of trade unionism: a cross-country comparison. Socio-Economic Review (12:4), 747–778.
Kerissey, Jasmine and Evan Schofer (2013). Union Membership and Political Participation in the United States. Social Forces (91:3), 895–928.

Loonkloof: wat doe je eraan?

Het CBS publiceert vandaag nieuwe cijfers over de loonkloof. Topverdieners van de duizend grootste bedrijven verdienen gemiddeld zes keer zoveel als een doorsnee werknemer op voltijdbasis. De afgelopen vijf jaar is deze kloof geleidelijk steeds groter geworden. Wat doe je eraan?

In Amerika moeten bedrijven vanaf volgend jaar rapporteren hoeveel hun CEO verdient in vergelijking met een doorsnee werknemer van het bedrijf, zo heeft beurswaakhond SEC onlangs vastgelegd (een maatregel die doet denken aan de Tinbergennorm). De FNV heeft eerder al aangegeven dat openheid alleen onvoldoende is. Je zou alle inkomens binnen een onderneming, dus ook die van de top, onder de CAO moeten brengen.

Afgelopen zaterdag kwam de Britse Labourleider Jeremy Corbyn ook met een interessant plan. Hij wil bedrijven verbieden om dividend uit te betalen aan hun aandeelhouders zolang ze werknemers in dienst hebben die minder verdienen dan het leefbaar loon (ruim boven het Nederlandse minimumloon):

Only profitable employers will be paying dividends, if they depend on cheap labour for those profits then I think there is a question over whether that is a business model to which we should be turning a blind eye.

Corbyn bouwt voort op een idee van partijgenoot Teresa Pearce, die erop wees dat laagbetaalde werknemers vaak een beroep moeten doen op voorzieningen. «It cannot be right that passive shareholders take their cut whilst the workers who made the profit have to rely on the benefit system which the taxpayer pays for».

Een bezwaar tegen de oplossingen van de SEC en Corbyn is dat ze het inkomen van bestuursvoorzitters en aandeelhouders vergelijken met werknemers binnen hetzelfde bedrijf, maar niet met de uitbestede werknemers die de kantoren schoonmaken, de lunches bereiden en de computers repareren.

Pages