champagne anarchist | armchair activist

Data

Voter revolt in Amsterdam

In the 21 March municipal election, many Amsterdammers voted for new parties. The map below shows the effect this had on parties that already had seats on the city council. Red circles represent polling stations where the established parties lost; the rare green circles show where they won. The size of the circles corresponds to their gain or loss in percentage points.

Established parties lost across the city, but less so in Centrum and Zuid. The voter revolt was felt most in the peripheral districts Nieuw-West, Noord and Zuidoost, followed by parts of West and Oost. At some polling stations, support for the established parties declined by 15 to over 30 percentage points, with a peak of 43 percentage points.

The success of the new parties has been explained by ethnic background (especially DENK gained substantial ethnic minority support), but there’s also a socio-economic component. The chart below, showing results at the neighbourhood level, illustrates this. The share of votes for the new parties DENK, FvD, BIJ1 plus ChristenUnie is larger than the loss of the established parties, because they also won votes from parties that didn’t make the city council four years ago.

The new parties got their votes mainly in the less affluent neighbourhoods of Amsterdam, as measured by the average value of houses. This doesn’t have much impact on pro-market parties like VVD and D66, which get most of their votes in the richer parts of the city. For the social-democrat PvdA and socialist SP, things are different. The chart below shows what happened to their voters. Grey circles represent the 2014 election; red ones the situation in 2017/2018 (the scale on the y-axis is slightly different from the one above).

First, it should be noticed that most circles have moved to the right: the value of houses has increased significantly over the past years. This effect tends to be somewhat stronger in richer neighbourhoods. As a result, inequality has increased.

In 2014, PvdA and SP had considerable support in the less affluent neighbourhoods, but those are also the neighbourhoods where they lost most on 21 March. By now, their support there is hardly larger than in the richer neighbourhoods anymore. This effect is strongest for the PvdA (note that this effect doesn’t apply to other left-wing parties like GroenLinks).

Over the past years, concern has grown over Amsterdam’s social divide. The 21 March election outcome can be seen as a reflection of this inequality. In the less affluent peripheral neighbourhoods, established parties lost votes, as new parties grew.

The winner of the election, green party GroenLinks, has opted not to invite these new parties to the negotiations for a coalition agreement. In itself, there’s nothing wrong with that choice. Meanwhile, the new city government will need to come up with a credible answer to the city’s social divide. GroenLinks has often identified this as one of the key issues that need to be addressed.

For data sources and method, see the Dutch version of this article.

De kiezersrevolte in Amsterdam

Veel Amsterdammers hebben op nieuwe partijen gestemd op 21 maart. Het kaartje hieronder laat zien wat voor gevolgen dat had voor de partijen die al in de raad vertegenwoordigd waren. Rode cirkels zijn stembureaus waar de gevestigde partijen verlies leden; de zeldzame groene cirkels laten zien waar ze juist hebben gewonnen. De grootte van de cirkels correspondeert met het aantal procentpunt winst of verlies.

Bijna overal hebben de gevestigde partijen verloren, maar in Centrum en Zuid bleef het verlies beperkt. De kiezersrevolte was het grootst in Nieuw-West, Noord en Zuidoost, gevolgd door delen van West en Oost. Op sommige stembureaus daalde de steun voor de bestaande partijen met 15 tot ruim 30 procentpunt, met een uitschieter naar 43 procentpunt.

Het succes van de nieuwe partijen is in verband gebracht met etnische achtergrond, maar er is ook een sociaal-economische component. De grafiek hieronder laat dat zien. Hier gaat het om resultaten op wijkniveau. Het aandeel van nieuwe partijen (hier gemakshalve opgevat als DENK, FvD, BIJ1 plus ChristenUnie) is groter dan het verlies van oude partijen, omdat de nieuwe partijen ook stemmen hebben gewonnen van partijen die vier jaar geleden de raad niet hebben gehaald.

De nieuwe partijen hebben vooral stemmen gekregen in de minder rijke wijken van Amsterdam, afgemeten aan de gemiddelde woningwaarde. Partijen als VVD en D66 hebben hier niet zoveel last van; die hebben hun aanhang vooral in de rijkere delen van de stad. Voor PvdA en SP ligt dat anders. De grafiek hieronder laat zien wat er met hun aanhang is gebeurd. De grijze cirkels hebben betrekking op 2014; de rode op 2017/2018 (de schaal op de y-as is niet helemaal hetzelfde als hierboven).

In de eerste plaats valt op dat de meeste cirkels naar rechts zijn geschoven: woningen zijn de afgelopen jaren (veel) meer waard geworden. Dit effect is door de bank genomen wat sterker in de rijkere wijken, waardoor het verschil tussen rijke en arme wijken toeneemt.

In 2014 hadden PvdA en SP veel steun in de minder rijke buurten, maar juist daar hebben ze op 21 maart verlies geleden. Inmiddels is hun steun hier nauwelijks nog groter dan in de rijkere buurten. Dit effect is het sterkste bij de PvdA (bij andere linkse partijen als GroenLinks is dit effect niet te zien).

De afgelopen jaren is er toenemende aandacht voor de tweedeling (of driedeling) in Amsterdam. De verkiezingsuitslag van 21 maart kan worden gezien als een uitdrukking van deze ongelijkheid: in de minder rijke wijken buiten het centrum verloren de gevestigde partijen veel stemmen. Nieuwe partijen boekten daar winst.

Winnaar GroenLinks heeft ervoor gekozen om deze nieuwe partijen niet uit te nodigen voor de coalitiebesprekingen. Daar is op zich niets mis mee. Ondertussen zal het nieuwe stadsbestuur wel met een geloofwaardig antwoord moeten komen op de ongelijkheid in de stad. Voor GroenLinks was dit overigens al een speerpunt.

Methode

De uitslagen per stembureau zijn afkomstig van OIS (2014, 2018). Coördinaten van stembureaus zijn grotendeels ontleend aan Open State. Iets om mee op te passen is dat stembureaus uit 2014 niet altijd overenkomen met stembureaus uit 2018, ook al hebben ze hetzelfde nummer. Dit betekent dat een deel van de stembureaus niet kan worden gebruikt bij een vergelijking tussen 2014 en 2018. Waar dit wel het geval is, weet ik niet zeker of altijd precies dezelfde kiezers zijn opgeroepen. Woningwaarde is ontleend aan de Kerncijfers wijken en buurten van het CBS. Wijken zijn gebaseerd op de huidige indeling (zie hier hoe de huidige wijken kunnen worden gekoppeld aan buurten van voor 2016).

De slachtoffers van het districtenstelsel

Vorig jaar waarschuwde het Parool dat kleine partijen het slachtoffer dreigden te worden van de manier waarop de verkiezing van de nieuwe stadsdeelcommissies wordt georganiseerd. Nu de uitslagen bekend zijn, kunnen we uitrekenen wat het effect is van dit zogenaamde districtenstelsel.

Het districtenstelsel heeft voordelig uitgepakt voor PvdA, VVD en D66. Zonder districtenstelsel zouden zij samen 11 zetels minder hebben gekregen. Hun voordeel ging ten koste van BuurtVuist (een partij in West), PvdO, 50PLUS, CDA, GroenLinks, BIJ1, Belangenpartij Noord en met name DENK. Deze partijen verloren juist zetels door het districtenstelsel.

Hieronder per stadsdeel het aantal zetels dat partijen hebben gehaald, en tussen haakjes het aantal zetels dat ze zouden hebben gehaald als de zetels per stadsdeel verdeeld zouden zijn.

CENTRUM
GroenLinks: 2 (3)
D66: 2 (2)
PvdA: 2 (2)
VVD: 2 (1)

NIEUW-WEST
GroenLinks: 4 (3)
VVD: 4 (2)
DENK: 3 (4)
PvdA: 3 (2)
D66: 1 (2)
50PLUS: 1 (1)
CDA: 0 (1)
SP: 0 (1)

NOORD
GroenLinks: 3 (3)
PvdA: 3 (2)
D66: 2 (1)
SP: 2 (1)
PvdO: 1 (1)
VVD: 1 (1)
Belangen Partij Noord (BPN): 0 (1)
50PLUS: 0 (1)
DENK: 0 (1)

OOST
GroenLinks: 4 (5)
D66: 4 (3)
PvdA: 3 (2)
VVD: 3 (2)
SP: 1 (2)
Méérbelangen: 1 (1)
DENK: 0 (1)

WEST
GroenLinks: 5 (5)
D66: 4 (3)
PvdA: 3 (2)
VVD: 1 (2)
DENK: 1 (1)
BuurtVuist: 0 (1)

ZUID
GroenLinks: 4 (4)
D66: 4 (3)
VVD: 3 (4)
PvdA: 3 (2)
CDA: 1 (1)
PvdO: 0 (1)

ZUIDOOST
PvdA: 3 (3)
GroenLinks: 3 (3)
VVD: 2 (1)
D66: 1 (1)
DENK: 1 (1)
50PLUS: 1 (1)
SP: 1 (1)
Amsterdam BIJ1: 0 (1)

Methode

De methode om (rest-) zetels toe te wijzen is als volgt: eerst zijn volle zetels toegewezen aan partijen met meer stemmen dan de kiesdeler. Vervolgens zijn restzetels toegewezen aan de partijen die na toewijzing van de volle zetels het grootste stemmenoverschot hebben (lijsten met minder dan 25% van de kiesdeler komen niet in aanmerking voor een restzetel).

Dit systeem komt grotendeels overeen met het ‘systeem van de grootste overschotten’ dat wordt toegepast bij gemeenteraadsverkiezingen als een gemeente minder dan 19 raadszetels heeft (verschil is dat bij dit laatste systeem alleen restzetels worden toegekend aan partijen met minstens 75% van de kiesdeler).

Deze methode is toegepast op elk van de 22 gebieden. Ik heb een alternatieve berekening gemaakt waarbij eerst de stemmen per stadsdeel worden opgeteld en pas daarna de (rest-) zetels worden verdeeld, volgens dezelfde methode.

Waarschijnlijk is het effect van het districtenstelsel nog groter dan de berekeningen hierboven suggereren:

  • Zonder districtenstelsel hadden kleine partijen stemmen kunnen krijgen van kiezers uit het hele stadsdeel; daardoor hadden ze wellicht meer stemmen gekregen.
  • Misschien heeft het districtenstelsel er aan bijgedragen dat sommige partijen helemaal niet meer mee hebben gedaan.

Bron: DAP, uitslagen

Amsterdam publiceert Wob-besluiten

Jaarlijks krijgt de gemeente Amsterdam honderden verzoeken op basis van de Wet Openbaarheid Bestuur (Wob). Op verzoek van de gemeenteraad worden de antwoorden op deze verzoeken voortaan gepubliceerd op de website van de gemeente.

Op dit moment staan twee Wob-besluiten online, over activiteiten en bezittingen in Nederland van de Republiek Kazachstan (niets gevonden) en over de afhandeling van klachten over moskeeën.

Amsterdam publiceert in eerste instantie alleen de Wob-besluiten van de afdeling Bestuur en Organisatie. Later volgt de rest van de organisatie inclusief de stadsdelen. In 2016 zijn er 626 Wob-verzoeken ingediend, waarvan 54 bij de afdeling Bestuur en Organisatie.

Voorlopig is gekozen voor een tijdelijke oplossing om de stukken openbaar te maken. In de toekomst wordt dit een taak voor het Stadsarchief, dat beschikt over de infrastructuur om grote documenten voor onbepaalde tijd te kunnen opslaan en ontsluiten.

Amsterdam is niet de eerste overheidsinstantie die Wob-besluiten publiceert. Bij de gemeenten Rotterdam en Utrecht en het Rijk gebeurt dit al. Op dit moment lijkt Amsterdam nog niet samen te werken met Open Wob, de zoekmachine van Open State. Besluiten van overheidsinstanties waaronder Rotterdam en Utrecht zijn daar al terug te vinden.

The impact of #deletefacebook

This is turning into a bit of a series: in previous posts, I showed how there’s a yearly peak in people googling “delete facebook” around New Year, the time for New Year’s resolutions. The peak is even higher than for “quit smoking”.

Against the backdrop of the latest Facebook controversy, Whatsapp co-founder Brian Acton helped launch a #deletefacebook campaign. Below is an update of my previous chart, which gives a preliminary impression of the impact of this campaign.

Some caution is in order, for recent Google Trends data can sometimes be a bit unstable. Also, it’s possible that currently some people are googling “delete facebook” out of curiosity, without actually intending to delete their account. That said, the impact of the current campaign may well be substantially larger than the annual New Year’s peak.

Pages