Amsterdam

Amsterdam: meer ruimte voor hogere inkomens

Volkshuisvesting wordt een belangrijk verkiezingsthema in Amsterdam. De woningmarkt is de afgelopen jaren ingrijpend veranderd. Op grote schaal zijn sociale huurwoningen gesloopt of gerenoveerd, vooral in West. Per saldo zijn er ruim 60.000 goedkope huurwoningen verdwenen. Tegelijk is het aantal koopwoningen fllnk gestegen, zo blijkt uit het onderzoek Wonen in Amsterdam.

Voorstanders van dit beleid zeggen dat de markt evenwichtiger is geworden, dat vraag en aanbod nu beter op elkaar aansluiten. Maar zo simpel is het natuurlijk niet. Het aanbod bepaalt wie er in de stad kunnen wonen, waardoor de vraag ook verandert. Doordat er meer dure woningen komen, komt er meer ruimte voor mensen met hogere inkomens.

Inderdaad blijkt uit het onderzoek Wonen in Amsterdam dat het aandeel lage inkomens in de stad de afgelopen jaren is gedaald. Tegelijk groeit het aandeel Amsterdammers in de hoogste inkomensgroep die het onderzoek hanteert. In 2005 had ruim 16% van de Amsterdammers een inkomen van meer dan twee keer modaal; vorig jaar was dat opgelopen tot ruim 23%.

De vraag is hoe het verder moet met de sociale huur (overigens is dat een breder begrip dan de goedkope huur). Hoe denken de grotere partijen hierover?

  • De PvdA wil zuinig omgaan met de sociale huur;
  • De VVD wil het aantal sociale huurwoningen op termijn halveren;
  • GroenLinks wil een ondergrens om te voorkomen dat corporaties teveel sociale huurwoningen verkopen;
  • D66 wil minder sociale huur bij nieuwbouwprojecten (en daarmee net als de VVD de sociale huur halveren?);
  • De SP wil de voorraad sociale huurwoningen beschermen; daarvoor is het nodig om extra sociale huur te bouwen bij nieuwbouwprojecten.

High turnout in liberal-voting neighbourhoods, low turnout in left-voting neighbourhoods

A ‘prominent civil servant with a social-democrat background’ gets to hand out 400,000 euros in subsidies to turn out ethnic minorities to vote, the Telegraaf newspaper reported last week. «It’s not difficult to guess which parties will benefit the most from a turnout campaign among hard to reach groups of voters.»

Ok, so they’re hyping it a bit, but the story is more or less accurate. Last year, the city council almost unanimously asked for a campaign that should result in «a turnout of at least 65% across Amsterdam and a substantial increase in turnout in districts that have a low turnout and among specific groups».

Turnout in elections is uneven, as the charts below illustrate. In neighbourhoods where many people voted economic left (SP or PvdA), turnout was low in 2010. By contrast, in neighbourhoods that tend to vote (neo) liberal (pro-market parties VVD and D66), turnout was high. On the one hand there’s Bijlmer Centrum: 57% voted economic left in 2010, but turnout was only 34%. At the other end of the spectrum, there’s for example the Apollobuurt: 57% voted liberal and turnout was 65%. A similar pattern occured in previous elections.

What causes this correlation between political outcome and turnout? A possible explanation: high educated, well-paid, white home owners have more confidence that politicians will take their interests into account. Therefore, they’re more inclined to think it makes sense to vote. And they often vote liberal.

Interestingly, turnout isn’t always that unequal, as a comparison of the 2002 and 2006 elections serves to illustrate.

The boxplot to the left shows that turnout tended to be higher in 2006 than in 2002. At least as interesting is the fact that inequality in turnout has decreased. The chart to the right shows how this happened. In allmost all neighbourhoods, turnout rose relative to 2002, but it rose most in neighbourhoods that had low turnout in 2002. Examples include the Kolenkit in West, the Vogelbuurt in Noord and Bijlmer Centrum. Incidentally, turnout inequality rose again in 2010.

A similar development has taken place at the national level. In elections for the Lower Chamber, liberal-voting municipalities tend to have higher turnout than left-voting ones. Again, turnout inequality was lower in 2006 than in 2002 and 2003. (If you want to check the calculations: data and code for the analysis at both the local and the national level can be found here.)

2006 was a year in which left-wing parties got relatively many votes. For example, PvdA, GroenLinks, SP and AADG jointly got 33 seats in the Amsterdam council, compared to 26 in 2002. Since inequality was less uneven in 2006, it’s conceivable that the 2006 election result better reflected the preferences of Amsterdammers than the election result of 2002.

In any case: if we want a fairer election outcome, it’s important to get more people to vote, especially in neighbourhoods that tend to have low turnout. Whether the municipal turnout campaign will be effective is difficult to say on the basis of the plans, but it is possible to raise turnout. For example, by organising local elections on the same day as national elections.

Hoge opkomst in buurten die liberaal stemmen, lage opkomst in buurten die links stemmen

Een ‘prominente ambtenaar van PvdA-huize’ mag 400.000 euro subsidie uitdelen om kiezers te ronselen onder Amsterdamse allochtonen, zo wist de Telegraaf vorige week te melden. «Het laat zich raden welke partijen het meeste baat hebben bij opkomstbevordering onder moeilijk bereikbare kiezersgroepen.»

Ok, ze hebben het een beetje tendentieus opgeschreven, maar er zit een kern van waarheid in. De gemeenteraad heeft vorig jaar bijna unaniem gevraagd om een campagne die moet leiden tot «een opkomst van minimaal 65% in heel Amsterdam en een substantiële verhoging van de opkomst in de stadsdelen waar de opkomst laag was en onder specifieke groepen».

De opkomst bij verkiezingen is ongelijk verdeeld, zo laten de grafieken hieronder zien. In buurten waar veel mensen economisch links hebben gestemd (SP of PvdA) was de opkomst in 2010 laag. In buurten waar veel stemmen naar de (neo-) liberale partijen VVD en D66 gingen, was de opkomst juist hoog. Het ene uiterste is Bijlmer Centrum: 57% stemde in 2010 economisch links, maar de opkomst was maar 34%. Aan de andere kant van het spectrum heb je bijvoorbeeld de Apollobuurt: 57% stemde liberaal en de opkomst was 65%. Bij eerdere verkiezingen was een vergelijkbaar patroon te zien.

Waar komt die correlatie tussen verkiezingsuitslag en opkomst vandaan? Een mogelijke verklaring: hoog opgeleide, goedbetaalde autochtonen met een eigen huis hebben er meer vertrouwen in dat de politiek rekening houdt met hun belangen. Daarom zien ze eerder het nut ervan in om te gaan stemmen. En ze stemmen vaak liberaal.

Interessant is dat de opkomstverschillen niet altijd zo groot zijn. Een vergelijking van de verkiezingen van 2002 en 2006 kan dat illustreren.

De boxplot aan de linkerkant laat zien dat de opkomst in 2006 over het algemeen wat hoger was dan in 2002. Zeker zo opvallend is dat de verschillen kleiner zijn geworden. De grafiek rechts laat zien hoe dat komt. Bijna overal steeg de opkomst in 2006, maar de opkomst is het meest toegenomen in de buurten waar in 2002 weinig mensen hebben gestemd. Denk aan de Kolenkit in West, de Vogelbuurt in Noord of Bijlmer Centrum. In 2010 nam de ongelijkheid overigens weer toe.

Hetzelfde verschijnsel heeft zich ook landelijk voorgedaan. Bij de Tweede Kamerverkiezingen hebben gemeenten waar vooral liberaal wordt gestemd een hogere opkomst dan links stemmende gemeenten. Opnieuw geldt dat de opkomstverschillen tussen gemeenten in 2006 kleiner waren dan in 2002 en 2003. (Voor wie het na wil rekenen: hier zijn alle gegevens en de code voor de berekeningen te vinden, zowel voor Amsterdam als landelijk.)

2006 was een jaar waarin linkse partijen relatief veel stemmen kregen. Zo kregen PvdA, GroenLinks, SP en AADG samen 33 zetels in de Amsterdamse raad, tegen 26 in 2002. Omdat de opkomst dat jaar minder ongelijk was, zou het zomaar kunnen dat de uitslag van 2006 een betere weerspiegeling vormt van de voorkeuren van de Amsterdammers dan de uitslag van 2002.

Hoe dan ook: als je een eerlijke verkiezingsuitslag wil, dan moet je zorgen dat meer mensen gaan stemmen, vooral in de buurten die gewoonlijk een lage opkomst hebben. Of de opkomstcampagne van de gemeente effectief zal zijn valt op basis van de plannen niet zo goed in te schatten, maar de opkomst verhogen is mogelijk. Bijvoorbeeld door de lokale verkiezingen voortaan op dezelfde dag te houden als de Tweede Kamerverkiezing.

Hoe ver naar het zwembad

Door de crisis en hogere belastingen dreigen tientallen zwembaden hun deuren te sluiten, al is de verwachting dat weinig gemeenten het aandurven om zwembaden te sluiten voor de gemeenteraadsverkiezingen op 19 maart. In Amsterdam neemt de deelraad Oost op 7 januari een besluit over zwembaden. Sluiting van het Flevoparkbad lijkt van de baan, maar het is de vraag of er nog een zwembad op IJburg komt, zoals de bedoeling was.

De kaart hierboven laat voor de Amsterdamse buurten zien wat de gemiddelde afstand is tot het dichtstbijzijnde zwembad, op basis van cijfers van het CBS (klik de kaart voor een grotere versie). Vooral inwoners van Waterland en IJburg wonen vaak ver van een zwembad. Voor de Zwemmonitor is onderzocht wanneer de afstand een belemmering gaat vormen om naar een zwembad te gaan. Op basis van dat onderzoek valt te verwachten dat sommige Amsterdammers het zwembad links laten liggen omdat het te ver weg is.

Uit de CBS-cijfers blijkt dat Amsterdammers gemiddeld 1,9 kilometer van het dichtstbijzijnde zwembad wonen. Voor Rotterdam is dat 1,6 kilometer, voor Den Haag 1,8 kilometer en voor Utrecht 2,1 kilometer.

Technische details hier.

Pages