salonanarchist | leunstoelactivist

Vakbond

1 mei in beeld: Tilburg

Het seizoen voor 1 mei-affiches is weer aangebroken. De bovenstaande afbeelding staat bij de aankondiging van de 1 mei-demonstratie in Tilburg (via) en is gemaakt door dichter en performer Nick J. Swarth. Speciaal voor deze gelegenheid? «Het mannetje is wel speciaal voor de gelegenheid gemaakt, maar de gelegenheid was 1 mei 2016, het mannetje staat op de top van de menselijke piramide op de poster van dat jaar :-).»

Dit jaar heeft de Tilburgse 1 mei-demonstratie als motto Tegen de haat - voor elkaar. «Juist tegenover de oprukkende haat is de 1 Mei-gedachte harder nodig dan ooit.»

UPDATE - Inmiddels is er ook een affiche speciaal voor de mei-demonstratie van dit jaar. ‘s Avonds is er nog een lezing «reclame voor de revolutie: radicale symbolen door de jaren heen».

Tewerkstelling: hoe werklozen werden ingezet bij de aanleg van onze fietspaden

Op diverse plaatsen in het land worden door werklozen rijwielpaden aangelegd. De gemeenschap mag gerust een hartelijk „dank je” terugzeggen!, aldus een fotobijschrift in Het Vrije Volk uit 1953. De tekst staat bij een foto waarop mannen met een schop werken aan een fietspad.

Een tijdje terug fietste ik van de Heuvelrug naar Soesterberg. Onderweg kwam ik een monument tegen ter herinnering aan de activiteiten van de Rijwielpadvereniging Utrecht met Omstreken (U.M.O.). Ik had er nooit zo bij stilgestaan hoe onze fietspaden zijn ontstaan. Nieuwsgierig geworden ging ik op zoek naar informatie en zo stuitte ik ook op de rol van de tewerkstelling.

Rijwielpadverenigingen

De eerste fietspaden werden eind 19e eeuw aangelegd en in 1906 werd voor het eerst een vereniging opgericht die zich hier specifiek mee bezighield: Vereniging Het Fietspad in Meppel. In 1950 waren er tien regionale Rijwielpadverenigingen die samen zo’n 2.000 kilometer aan recreatieve fietspaden beheerden, aldus het boekje Fiets en geniet! van de A.N.W.B. (ter vergelijking: vandaag de dag is er bijna 35.000 kilometer aan fietspaden, maar dat is inclusief niet-toeristische fietspaden).

De leden van deze verenigingen gingen waarschijnlijk niet zelf met een schop de natuur in, maar ze brachten wel geld bij elkaar. Neem Het Drentsche Rijwielpad, opgericht in 1916. Binnen een half jaar had de vereniging 7.000 leden die elk 50 cent contributie per jaar betaalden. Begunstigers betaalden tenminste ƒ1 (Simons 1990).

Bestuurlijke elite

De Rijwielpadverenigingen hadden vaak nauwe banden met de bestuurlijke elite. Het Drentsche Rijwielpad had de Commissaris der Koningin als beschermheer; andere verenigingen hadden een burgemeester als voorzitter. In 1948 beschreef De Kampioen, het blad van de A.N.W.B., hoe een plaatselijke vereniging functioneert:

Deze vereniging werkt nauw samen met het gemeentebestuur. Inkomsten geniet de vereniging uit de burgerij, van belanghebbende fabrieken, winkeliers etc. en tevens is het zaak, dat de gemeente bijdraagt.

Een belangrijk motief voor de overheid en de middenstand om mee te betalen was dat fietspaden toeristen aantrokken.

De rol van de overheid nam sterk toe door de inzet van werklozen. In 1925 werd al geschreven over een werkverschaffingsproject van de gemeente Vlagtwedde waarbij een fietspad werd aangelegd van Sellingen naar Terapel-kanaal. De werklozen hadden het werk neergelegd - volgens kranten onder druk van stakende veenarbeiders.

Appeltje voor de dorst

Vanaf de jaren dertig gingen werklozen een grotere rol spelen bij de aanleg van fietspaden. De aanleg van fietspaden werd hierdoor afhankelijk van de economische conjunctuur. De Kampioen schreef in 1948:

De rijksdienst voor het Nationale Plan heeft neiging de aanleg van zeer grote werken als een „appeltje voor de dorst” naar tijden van depressie te verschuiven. En daar valt eigenlijk niets tegen in te brengen, want een groot deel der paden van de rijwielpadverenigingen is in de crisisjaren door werklozen aangelegd.

De lezer zal een min of meer hoorbare zucht slaken en opmerken, dat er dus weinig perspectief in die rijwielpaden zit.

Maar in de jaren vijftig kwam er opnieuw schot in de zaak, in ieder geval in Drenthe. «Het was weer de sterk toegenomen werkloosheid waardoor een opening werd geboden», aldus geschiedschrijver W.J. Simons.

Bloedende handen

Het lijkt verstandig Keynesiaans beleid om tijdens recessies te investeren in infrastructuur en zo banen te creëren. Maar hoe zat het met de arbeidsrechten van de tewerkgestelde werklozen? Over de specifieke omstandigheden bij de aanleg van fietspaden heb ik niet zoveel kunnen vinden, maar wel over de tewerkstelling in bredere zin.

Een bekend voorbeeld van werkverschaffing was de aanleg van het Amsterdamse Bos. Daar werd 37 kilometer fietspad aangelegd, maar de grootste klus was het uitgraven van de roeibaan. In een terugblik schreef De Waarheid over mensonterende toestanden, opzichters die zich gedroegen als slavendrijvers en slechte arbeidsomstandigheden:

Bloedende handen in de vrieskou waren een regelmatig terugkerend beeld. Soms gebeurde het dat ploegen nauwelijks hun steunbedrag haalden wegens kapotte, opengebarsten handen.

Volgens de Waarheid zwegen de meeste kranten over de misstanden. Wat uiteindelijk wel naar buiten kwam, was dat veel werklozen minder verdienden dan hun steunuitkering, terwijl ze door hun werk ook nog eens hogere kosten hadden. Na bemiddeling van de vakcentrales werd het loon iets verhoogd.

Oosterpark

Begin jaren vijftig meldde het bestuur van Rijwielpadvereniging Gooi- en Eemland dat het te lage lonen betaalde (waarschijnlijk ging het om reguliere arbeiders en niet om de werkverschaffing). Het is onduidelijk wat de achtergrond was: vond men de lonen onrechtvaardig? Of had men moeite om voldoende arbeiders te vinden voor het geboden loon?

Over de opvattingen van de politiek is meer te vinden. Op 26 februari 1935 vergaderde de Groningse gemeenteraad over de voltooiing van het Oosterpark, waarbij zijdelings ook de aanleg van fietspaden ter sprake kwam. Het verslag in het Nieuwsblad van het Noorden geeft een fascinerend beeld van de standpunten over de tewerkstelling.

Het Rijk was bereid om mee te betalen, maar op basis van een minimum-uurloon van 35 cent en een vergoeding voor regenverlet van 33 cent. Als het weekloon lager uit zou vallen dan de steunuitkering, kon dit worden aangevuld. Voor de sociaal-democraten waren deze arbeidsvoorwaarden onacceptabel. Raadslid Polling:

Welk gevoel moeten de arbeiders later hebben, als zij door het mooie park wandelen, dat zij hebben aangelegd, terwijl zij in diepe ellende waren gedompeld. […] Wij hebben willen meewerken tot het plan, wanneer er eenigszins redelijke loonen zouden worden betaald. Maar als de Minister dergelijke loonen bepaalt, dan moet het park maar park blijven. Spr. weigert medewerking aan de tot standkoming van het park, wanneer dat moet geschieden onder deze ellendige omstandigheden.

Het rechtvaardigheidsgevoel van de sociaal-democraten botste met het moralisme van de vrijzinnig-democraten:

De heer PLAAT (v.d.) vermoedt, dat de arbeider, die later door het park zal loopen, zal denken: „Was ik maar aan het werk”. STEMMEN: — Ja, ja

De heer KROL [vrijzinnig-democraten] wijst er op, dat hij steeds voor verschillende werken in werkverschaffing is geweest. Alles is beter dan de demoraliseerende invloed van het rondloopen. Spr. wijst op rijwielpaden aan den Paterswoldscheweg.

De heer GASAU [sociaal-democraten] noemt het huilen met krokodillentranen, wanneer men het jammer vindt, als deze voordracht door de sociaal-democraten wordt verworpen. Spr.’s fractie is nog niet zoo ver, dat zij tot elken prijs in werkverschaffing wil laten uitvoeren. Dat wordt op den duur funest, niet alleen voor de arbeiders, doch ook voor de koopkracht van de stad.

Uiteindelijk werd het voorstel aangenomen met tegenstemmen van de sociaal-democraten en de communisten.

Dienstweigeraars

Maar de tijden veranderden. In 1953 maakte democratisch-socialistisch dagblad Het Vrije Volk een reportage over de werkverschaffing, onder meer bij de aanleg van fietspaden. Het rechtvaardigheidsgevoel van de Groningse sociaal-democraten had plaatsgemaakt voor het paternalistische woordgebruik dat we ook kennen van de hedendaagse tewerkstellingsprojecten, die bijkans worden voorgesteld als een gunst aan de werklozen. Dat de tewerkstelling ondertussen ten koste gaat van reguliere banen, daar moesten we maar niet al te moeilijk over doen, aldus het Vrije Volk.

Er zijn nog pogingen gedaan om ook anderen dan werklozen te werk te stellen bij het onderhoud van fietspaden, maar dat lijkt geen groot succes te zijn geworden. Dienstweigeraars bijvoorbeeld saboteerden het werk en gingen in staking.

Een geval apart is de gemeente Venray, die inwoners dreigde met tewerkstelling als ze hun gemeentebelasting niet betaalden. Zes inwoners werden daadwerkelijk ingezet bij werkzaamheden aan fietspaden. Eén van hen deed aangifte bij de rijkspolitie wegens het ontbreken van onder meer wc’s, wasgelegenheden en een verbandtrommel.

Wortels

Elke fietser ergert zich waarschijnlijk wel eens aan een slecht onderhouden fietspad. De A.N.W.B. schreef hierover in Fiets en geniet!:

Alleen als het pad verwaarloosd is, als er overal mulle plekken in zitten of omhoog groeiende wortels van bomen, merken we, en hóe, dat we ons op een pad bevinden, dat met veel moeite en kosten moest worden aangelegd en onderhouden.

De A.N.W.B. vroeg terecht aandacht voor de arbeid van de rijwielpadverenigingen. Dit kan worden aangevuld met de boeren die bereid waren gratis materialen te vervoeren, buitenlandse studenten die in Zeeland aan het werk gingen, en zeker niet in de laatste plaats de werklozen die honderden kilometers fietspad hebben aangelegd.

Maar daarnaast sta ik graag stil bij de Groningse gemeenteraadsleden die weigerden mee te werken aan de uitholling van arbeidsrechten in de werkverschaffing. Hedendaagse gemeentebesturen kunnen hier een voorbeeld aan nemen.

Nu ik toch het een en ander heb uitgezocht over de rijwielpadverenigingen, heb ik er ook maar een Wikipediapagina over gemaakt. Wie weet heeft iemand nog aanvullingen.

Bronnen

A.N.W.B. (1950). Fiets en geniet! Samengesteld door de Kon. Ned. Toeristenbond A.N.W.B. Uitgave van de Federatie van Ned. Rijwielpadverenigingen.

W.J. Simons (1990). Daar fietst men toch zo heerlijk heen. Stichting Het Drentse Fietspad.

In 1960 hadden 29 Kamerleden een vakbondsachtergrond. Nu nog negen

Na de oorlog had bijna één op de vijf Tweede Kamerleden een vakbondsachtergrond (tot 1956 had de Tweede Kamer 100 leden), maar dat is inmiddels ingrijpend veranderd. In 1960 waren er 29 Kamerleden met een vakbondsachtergrond; momenteel zijn er nog maar negen.1 De grootste daling vond plaats tussen 1960 en 1980.

De positie van werkenden is er sinds 1980 niet beter op geworden - mede als gevolg van overheidsbeleid.2 Het aantal mensen met onzeker werk neemt toe, het sociale vangnet is gedeeltelijk afgebroken en werkenden krijgen een steeds kleiner deel van de opbrengst van hun arbeid. Deregulering en privatiseringen leiden in veel sectoren tot felle concurrentie die wordt uitgevochten ten koste van werkenden. Bezuinigingen ondermijnen de kwaliteit van publieke diensten en hebben veel banen gekost.

De kerntaak van vakbonden is om werknemers te helpen zich te organiseren, zodat ze niet machteloos staan tegenover hun werkgever. Maar de politiek bepaalt voor een belangrijk deel de spelregels op de arbeidsmarkt. Vakbonden mogen zich daarom best wat assertiever met de politiek bezighouden - bijvoorbeeld door hun achterban te mobiliseren om te gaan stemmen bij verkiezingen. Ook is het belangrijk om kaderleden op te leiden voor leidende posities in de bond en in de politiek.

Methode

Voor uitleg hoe de gegevens zijn verzameld en geanalyseerd, zie de Engelstalige versie van dit artikel.

Aanvulling: gekozen kandidaten

Al met al zijn er 11 vakbondsmensen in de Kamer gekomen.

Corrie van Brenk (50PLUS)
Gijs van Dijk (PvdA)
Cem Laçin (SP)
Lilian Marijnissen (SP)
Pieter Omtzigt (CDA)
Zihni Özdil (GroenLinks)
Nevin Özütok (GroenLinks)
Michel Rog (CDA)
Linda Voortman (GroenLinks)
Lisa Westerveld (GroenLinks)
Dennis Wiersma (VVD)

Aanvulling: Kandidatenlijsten 2017

Concept-kandidatenlijst PvdA

5. Gijs van Dijk. Vice-voorzitter FNV.
9. William Moorlag. Voormalig vakbondsbestuurder bij de FNV.
11. John Kerstens. Tweede Kamerlid en voormalig voorzitter van FNV Bouw.
15. Richard Moti. Vakbondsbestuurder bij de FNV.
32. Mei Li Vos. Voormalig voorzitter Alternatief voor Vakbond.
43. Erik Pentenga. Vakbondsbestuurder Flex bij de FNV.

De hele lijst

Concept-kandidatenlijst GroenLinks

4. Linda Voortman. Oud-bestuurder FNV Bondgenoten, was actief in de schoonmakerscampagne.
7. Zihni Özdil. Bestuurslid Nederlandse Vereniging van Journalisten.
11. Nevin Özütok. Oud-bestuurder FNV Bondgenoten.
13. Lisa Westerveld. Persvoorlichter en lobbyist bij de Algemene Onderwijsbond.
24. Arno Bonte. Is woordvoerder geweest bij ABVAKABO FNV.
De hele lijst

Concept-kandidatenlijst 50PLUS

4. Corrie van Brenk. Sectorhoofd FNV Zorg en Welzijn en voormalig voorzitter van ABVAKABO FNV.
De hele lijst

Concept-kandidatenlijst VVD

11. Dennis Wiersma. Oud-voorzitter FNV Jong.
De hele lijst

Concept-kandidatenlijst SP

3. Lilian Marijnissen. Gaf tot voor kort leiding aan de organising-campagnes van de FNV.
10. Cem Lacin. Vakbondsbestuurder FNV.
22. Ron Meyer. Voormalig vakbondsbestuurder FNV, onder meer bekend van de schoonmakerscampagne.
De hele lijst

Concept-kandidatenlijst CDA

4. Pieter Omtzigt (actief geweest bij jongerenorganisatie CNV).
14. Michel Rog (was bestuurder bij de Unie en voorzitter van CNV Onderwijs).
19. Evert-Jan Slootweg (had verschillende functies bij het CNV).
De hele lijst.


  1. In sommige Europese landen wordt de relatie tussen politiek en vakbeweging vooral gezien als een zaak van de sociaal-democratische partijen. In Nederland zijn er daarnaast veel christen-democratische Kamerleden met een vakbondsachtergrond. Hun aantal laat een vergelijkbare ontwikkeling zien als de sociaal-democratische Kamerleden met een vakbondsachtergrond. De huidige Kamerleden met een vakbondsachtergrond zijn Harm Brouwer (PvdA, FNV), Sjoera Dikkers (PvdA, CNV), Fatma Koser Kaya (D66, FNV), John Kerstens (PvdA, FNV) Jesse Klaver (GroenLinks, CNV), Pieter Omtzigt (CDA, CNV), Michel Rog (CDA, CNV), Paul Ulenbelt (SP, FNV / NVV) en Linda Voortman (GroenLinks, FNV). Update december 2016: In dit overzicht ontbreekt Mei Li Vos, voormalig voorzitter Alternatief voor Vakbond (een organisatie waarover uiteenlopend wordt gedacht maar die zichzelf omschrijft als vakbond).

  2. Daarmee beweer ik niet dat het overheidsbeleid een rechtstreeks gevolg is van de achtergrond van Kamerleden - waarschijnlijk is de relatie complexer.

In 1960, 29 Dutch MPs had a trade union background. Today, nine

After the Second World War, almost one in five members of the Dutch Lower House had a trade union background (in 1956, the Lower House expanded from 100 to 150 members). Then change set in. In 1960 there were 29 MPs with a trade union background; today nine.1 The largest decline was between 1960 and 1980.

The position of workers hasn’t gotten any better since 1980 - partly as a result of government policies.2 More workers have precarious jobs, the social safety net has been reduced and workers receive an ever smaller share of the proceeds of their labour. In many sectors, deregulation and privatisations have produced cut-throat competition, at the expense of workers. Austerity has deteriorated the quality of public services and destroyed jobs.

The key task of unions is to help workers organise so they’re not powerless vis-a-vis their employers. But in many ways, politicians set the rules that govern the labour market. Therefore, Dutch unions should probably engage more actively in politics - for example by mobilising their members to vote in elections. Further, it’s important to train union members for leading positions within the union and in politics.

Method

The analysis is based on the resumes of post-WWII members of the Lower House published on Parlement.com. I counted occurances of the following union federation names: 'FNV', 'CNV', 'NKV', 'NVV', 'EVC', 'RKWV', 'KAB'.

Some notes:

  • I didn’t count mentions of unions affiliated to these federations - that would hardly be feasible given given how many there are and the changes that have occured over time;
  • I manually excluded a number of cases where names of union federations occured in resumes. Reasons include: the reference was to an organisation with a name that is identical to one of the union federations’ names; someone merely sat on a joint committee of a political party and a trade union; etcetera;
  • I did not include the small unions / union federations that represent high-educated professionals, but including them would have had a negligeable effect on the outcome.

I recorded the start and end date for each period any of these persons was a member of the Lower House. Then I defined periods using all those dates as partitions (I ended up with over a thousand periods). For each period, I checked how many people with a union background were members of the Lower House during that period.


  1. In some European countries, the relation between politics and the union movement is dominated by the social-democrat party. In the Netherlands, there are also many christian-democrat MPs with a union background. Their number shows a similar development as the number of social-democrat MPs with a union background. The current MPs with a union background are Harm Brouwer (PvdA, FNV), Sjoera Dikkers (PvdA, CNV), Fatma Koser Kaya (D66, FNV), John Kerstens (PvdA, FNV) Jesse Klaver (GroenLinks, CNV), Pieter Omtzigt (CDA, CNV), Michel Rog (CDA, CNV), Paul Ulenbelt (SP, FNV / NVV) and Linda Voortman (GroenLinks, FNV).

  2. That’s not to say that the background of MPs directly influenced government policy - the relationship may well be more complex.

Assignment 2-4

In previous assignments I’ve looked into the association between union membership and political participation among paid employees, using the Outlook On Life surveys dataset. I found that respondents who have a union member in their household are more likely to have engaged in political participation over the past 2 years. This was consistent with what I expected on the basis of a study by Kerrissey and Schofer.

In the present assignment we’re to check for a potential moderator. The study by Kerrissey and Schofer found that the association between union membership and political participation is stronger for lower educated respondents, possibly because they have fewer other sources of political capital at their disposal.

Against this background I decided to test the association between union membership and political participation for different subgroups based on education. The OOL dataset has a variable with four education levels (less than high school; high school; some college; bachelor’s degree or higher). Since there are relatively few respondents with less than high school, I decided to lump together the first two categories.

First of all, here’s a grouped bar chart showing what percentage of respondents have engaged in political participation, by union membership (at household level) and by education level. Political participation levels appear higher for higher educated respondents, which will not come as a surprise. More surprisingly, the association between union membership and political participation appears stronger for higher educated respondents.

So let’s take a look at the chi squares for the different education levels. The entire Python script for my analysis can be found here. Below I copy some of the output from the code:

measure: "political_participation", group: "employees"

Results for "low"
union                     No  Yes
political_participation         
0.0                      158   36
1.0                       87   24

chi-square value, p value, expected counts
(0.24815891922850686, 0.61837443272471648, 1, array([[ 155.83606557,   38.16393443],
       [  89.16393443,   21.83606557]]))

Results for "medium"
union                     No  Yes
political_participation         
0.0                      130   26
1.0                      124   41

chi-square value, p value, expected counts
(2.7736422284672679, 0.095827887556796373, 1, array([[ 123.43925234,   32.56074766],
       [ 130.56074766,   34.43925234]]))

Results for "high"
union                     No  Yes
political_participation         
0.0                      157   27
1.0                      154   60

chi-square value, p value, expected counts
(9.5760783080978147, 0.0019712903653131314, 1, array([[ 143.77889447,   40.22110553],
       [ 167.22110553,   46.77889447]]))

The results show that the chi square value is smallest for the lowest education group and largest for the highest education group; and only significant for the highest education group (note that a post-hoc tests is not required because the explanatory variable has only two levels).

This comes as a surprise. Based on the study by Kerrissey and Schofer, I expected that the asssociation between union membership and political participation would be stronger for the lower educated respondents. However, using the OOL data, the association is only significant for the highest education level.

Note for students reviewing this assignment: the elaboration below isn’t strictly speaking part of the assignment. I wouldn’t want to waste your time so feel free to skip the rest of the article and make your assessment based on the text above.

I can’t really explain why my analysis leads to a result that seems at odds with the Kerrissey and Schofer study, but here are some considerations.

First of all, it’s entirely possible that I made some silly mistake in my analysis. And if that’s not the case, the method applied by Kerrissey and Schofer is different in a number of ways from my analysis. For example, they did regression analyses taking a number of relevant background variables into account. Further, they found a significant interaction between union membership and education in two different datasets. One could argue that Kerrissey and Schofer’s analysis is superior and their finding therefore more credible. Even so, it would be nice to be able to explain why a simpler model results in an opposite outcome.

Second, characteristics of respondents might play a role. I have the impression that union members may be overrepresented in the OOL dataset, but I don’t immediately see how that would explain the different outcome. More importantly, I did my analysis on a subset consisting of respondents with paid employment. It’s entirely possible that paid employees tend to be higher educated than unemployed and retired respondents. I guess it wouldn’t hurt rerunning the analysis on the entire group of respondents.

Third, it may matter how you define and measure political participation. I used a measure that includes contacting an official, participating in a protest or march and signing a petition. Kerrissey and Schofer found an interaction for voting, protest and membership. It would be interesting to see what happens if I use just the protest variable instead of the composite measure.

All respondents, composite measure

When I run my analysis on the entire group of respondents rather than just paid employees, the outcome changes in that there’s now a significant association between union membership and participation, not just for the highest education group, but also the medium education group. For the lowest education group, there’s still no significant association. So this doesn’t really explain the difference.

measure: "political_participation", group: "all_respondents"

Results for "low"
union                     No  Yes
political_participation         
0.0                      466   73
1.0                      279   60

chi-square value, p value, expected counts
(2.4819670432296759, 0.11515814971338957, 1, array([[ 457.35193622,   81.64806378],
       [ 287.64806378,   51.35193622]]))

Results for "medium"
union                     No  Yes
political_participation         
0.0                      262   32
1.0                      279   82

chi-square value, p value, expected counts
(14.963425544693942, 0.00010961532600357433, 1, array([[ 242.83053435,   51.16946565],
       [ 298.16946565,   62.83053435]]))

Results for "high"
union                     No  Yes
political_participation         
0.0                      237   34
1.0                      307   95

chi-square value, p value, expected counts
(12.134008533047874, 0.00049510583539001945, 1, array([[ 219.05497771,   51.94502229],
       [ 324.94502229,   77.05497771]]))

All respondents, protest measure

Using the protest measure rather than the composite participation measure, the association is once again only significant for the highest educated group.

measure: "protest_demo", group: "all_respondents"

Results for "low"
union          No  Yes
protest_demo         
0.0           695  119
1.0            49   15

chi-square value, p value, expected counts
(2.9184647984510526, 0.087571143400387977, 1, array([[ 689.76765376,  124.23234624],
       [  54.23234624,    9.76765376]]))

Results for "medium"
union          No  Yes
protest_demo         
0.0           499   99
1.0            43   15

chi-square value, p value, expected counts
(2.5743436452143076, 0.10860914232973193, 1, array([[ 494.07926829,  103.92073171],
       [  47.92073171,   10.07926829]]))

Results for "high"
union          No  Yes
protest_demo         
0.0           487  104
1.0            52   23

chi-square value, p value, expected counts
(6.5436232099967668, 0.010526075473228987, 1, array([[ 478.3018018,  112.6981982],
       [  60.6981982,   14.3018018]]))

After these additional analyses, it’s clear that it makes a difference whether you include respondents who are not paid employees, but I don’t think that fully accounts for the difference between the analysis using the OOL dataset and Kerrissey and Schofer’s analyses. Using a ‘protest’ variable instead of a broader composite measure of political participation also didn’t help clear things up. I’m afraid I still don’t really have an explanation for the different outcomes.

Pages